Connexxion is de rechtstreekse voortzetting van streekvervoerbedrijven waarvan enkelen al in 1881 begonnen. Met rechtstreeks bedoelen we dat vervoer, personeel, gebouwen, materieel en met name de N.V.'s door interne beslissingen Connexxion werden. De N.V. Noord-Zuid Hollandse Stoomtramweg Maatschappij (NZH) bijvoorbeeld, stoomde vanaf 1881 tussen Haarlem en Leiden. En diezelfde N.V. NZH heet nu Connexxion Openbaar Vervoer N.V.
Na de aanleg van het basisspoornet (1839-1870) ontstond behoefte aan 'buurtvervoer'. Aanpassing van de Spoorwet bracht vanaf 1878 de interlokale tram. Zakenlieden en belanghebbenden investeerden hierin en waar de stoomtram kwam, verdween de aloude diligencedienst. Rond 1900 startte op Amsterdam-Haarlem-Zandvoort het eerste elektrische trambedrijf. Dit kreeg landelijke navolging. In ruil voor aandelen staken de Spoorwegen geld in interlokale trambedrijven. Het spoor had nu grip op het tramvervoer van en naar hun spoorstations en de trambedrijven hadden geld voor uitbreidingen en elektrificatie. De NZH kreeg in 1909 van de Spoorwegen opdracht om naburige nieuw aangekochte trambedrijven te elektrificeren en groeide flink.
De Eerste Wereldoorlog leidde tot prijsstijgingen en inkomstendaling. De toch al noodlijdende trambedrijven kregen overheidssubsidie. Nadien kreeg de tram flinke concurrentie van particuliere busdiensten, die overal begonnen met hun 'wilde' vervoersactiviteiten. Provinciale busvergunningen ingaande 1926 brachten hierin nauwelijks verbetering. Pas met de Wet Personenvervoer ging het vanaf 1939 beter. De rijksoverheid gaf alleen bedrijven een streekvervoervergunning als ze groot genoeg waren. Fusies en samenwerkingsverbanden waren het gevolg. Het lot van de interlokale tram was toen al beslecht; de overheid had de subsidie vier jaar eerder gestaakt. De meeste trambedrijven stapten helemaal over op autobusexploitatie.
De Tweede Wereldoorlog en de brandstofschaarste werkten levensverlengend voor de streektram. Veel busvergunningen van vooral particulieren werden ingetrokken en de bezetter vorderde hun bussen. Gedesillusioneerd verkochten velen hun busbedrijf aan het NS-concern, dat flink groeide. NS kreeg met dit aankoopbeleid grip op het concurrerende busvervoer. Na de oorlog was het aantal busbedrijven drastisch verminderd, maar NS bleef haar aankoopbeleid volgen. De jaren vijftig waren succesvol, nadien liep het vervoer terug door stijgende welvaart en groeiend autogebruik. In 1961 sloot de NZH haar laatste tramlijn.
Vanaf 1970 kreeg het verlieslatende streekvervoer rijkssubsidie. De overheid betaalde en bepaalde voortaan. Gezamenlijke materieelinkoop binnen het NS-concern van gele standaardstreekbussen werkte kostenbesparend. Schaalvergroting was het devies in het streekvervoer en overal volgden fusies. De NZH fuseerde in 1971 met de NACO (boven de lijn Purmerend-Haarlem), maar behield zijn naam. De nationale strippenkaart verving in 1980 de regionale buskaartjes. In 1982 stootte NS haar aandelen streekvervoer af en ontstond een aparte busholding, de latere VSN-groep, thans Connexxion Holding. Die holding 'bezat' in de jaren tachtig al bijna alle streekvervoerbedrijven.
De overheid wilde eind jaren tachtig nieuwe zakelijkheid in het openbaar vervoer om kosten te besparen. Geheel in het tijdsbeeld volgden fusies en reorganisaties in het streekvervoer elkaar in steeds hoger tempo op. De overheid wilde openbare aanbesteding invoeren en het streekvervoer wilde hiervoor klaar zijn. Het werd de aanzet tot Connexxion, dat in 1999 ontstond uit NZH, Midnet, ZWN en Oostnet. Met de Wet personenvervoer 2000 kwam er opnieuw regionale vergunningverlening, nu op basis van openbare aanbesteding. Connexxion heeft zich sinds haar oprichting ontwikkeld tot een uiterst succesvolle speler op de personenvervoersmarkt. Zij exploiteert busdiensten, een tramlijn, omvangrijk taxivervoer, bootverbindingen en spoorverbindingen.